De bril van de Neurowetenschap

Over visualisering en feitvorming met het neurowetenschappelijk instrumentarium

 

Op 12 februari 2011 opent in het Boijmans van Beuningen Museum te Rotterdam, de tentoonstelling Schoonheid in de Wetenschap[1]. Prof. Dr. Hans Galjaard, emeritus hoogleraar Humane Genetica aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, stelt een selectie samen van ruim zevenhonderd beelden uit wetenschappelijke disciplines als fysica, chemie, geologie, celbiologie en astronomie (zie afbeelding 1 & 2). Hij beoogt met de tentoonstelling de grens te onderzoeken tussen wetenschap en esthetiek. Van grondig onderzoek blijft de tentoonstelling verstoken, te zien is slechts het visuele resultaat van wetenschappelijke informatieoverdracht – waaruit de bezoeker zelf zijn conclusies ten aanzien van de onderzoeksvraag dient te trekken. De kracht van beeld wordt in de tentoonstellingsruimten bijzonder duidelijk: als in een sprookjeswereld wordt de bezoeker overspoeld (en overtuigd) door de veelheid aan kleuren, vormen, beweging en verzadiging van ‘wetenschappelijke plaatjes’.

Uit de wetenschap van de 21e eeuw is visualisering van onderzoeksresultaten niet weg te denken. De onderzoeksvraag die Galjaard in zijn tentoonstelling centraal stelt vormt voor het huidige paper de aanleiding. Gekeken wordt niet simpelweg naar het raakvlak van wetenschap en esthetiek. Dat esthetica een rol spelen in de moderne wetenschap, waarin visuele informatieoverdracht sinds de uitvinding van de microscoop en de computer gemeengoed is, wordt hier als gegeven beschouwd. Het huidige onderzoek is gericht op de positie die dergelijk beeldmateriaal inneemt in de wetenschappelijke bewijsvoering. Gekeken wordt in hoeverre beeld beperkt blijft tot het domein van onderzoeksresultaten, dat wil zeggen, als illustratie wordt aangeboden van uit onderzoek gebleken feiten. Wetenschappelijke feiten worden gedestilleerd uit een wetenschappelijke onderzoekscyclus, de ‘empirische cyclus’, waarbij observatie leidt tot theorievorming en specifieke voorspellingen, die getoetst kunnen worden. Evaluatie van de onderzoeksresultaten leidt tot nieuwe observatie en aanpassing van de theorie, die vervolgens opnieuw getoetst wordt. Indien beeldmateriaal gezien wordt als illustratie van onderzoeksresultaten, zou dat hooguit een ondersteunende factor zijn in de evaluatiefase van de wetenschappelijke cyclus, als specifieke vorm van rapportage en overdracht van onderzoeksresultaten. Zou echter blijken dat beeld meer is dan illustratie alleen, dan is van belang te onderzoeken waar in de cyclus van wetenschappelijk onderzoek dat beeld een rol speelt, en welk verband het beeld aangaat met het veronderstellen, verwerven en bevestigen van wetenschappelijke kennis. De epistemologische verhouding tussen wetenschappelijke kennis en verbeelding van onderzoeksresultaten staat in het huidige onderzoek dus centraal.

Visuele informatieoverdracht is niet beperkt gebleven tot de natuurwetenschappen, die in de tentoonstelling van Galjaard centraal staan. Ook de levenswetenschappen hebben de verbeelding van onderzoeksresultaten omarmd. Het menselijke brein wordt gezien als orgaan waar het denken plaatsvindt – een idee dat niet nieuw is maar al in de oudheid werd verondersteld (Canguilhem, 2008). Met de modern-wetenschappelijke afwijzing van het Cartesiaans Dualisme (zie Leezenberg & De Vries, 2007), verdween het klassieke idee van het brein als zetel van de ziel niet geheel. De bewoording is grondig herzien, maar het brein als basis van menselijke ratio is nog altijd uitgangspunt in de levenswetenschappen (om niet te spreken van de 21e eeuwse common sense; zie Rose, 2007).

Michel Foucault stelde in zijn werk Les mots et les choses (1966) dat kennis niet universeel maar historisch discontinu is, waarmee hij stelling nam tegen het aloude fundamentalistische kennisideaal (Leezenberg & de Vries, 2007). Hij stelde dat kennis gegenereerd wordt binnen historisch en cultureel bepaalde kaders, die niet alleen bepalend zijn voor wat gezegd kan worden, maar ook voor de opvatting over wat als waar kan worden beschouwd. Deze zogenoemde épistémès begrenzen de mogelijkheden tot kennisverwerving en zijn bepalend voor de ‘orde der dingen’ (Foucault, 2006a). Drie épistémès worden door Foucault onderscheiden. Tot 1650 werd wetenschap volgens Foucault gekenmerkt door het zoeken naar de directe overeenkomst tussen woorden en dingen. De natuur werd zo bestudeerd dat modellen konden worden opgesteld, ideaaltypen die in encyclopedieën werden opgetekend. Tussen 1650 en 1850 was wetenschap met name gericht op representatie, waarbij juist het verschil tussen dingen centraal stond. Onderscheidingen van typen en soorten werden in tabellen en schema’s uit elkaar gehaald en geordend. Na 1850 ontstond volgens Foucault het Moderne épistémè, waarin verschil en overeenkomst bijeen kwamen in een besef van historische veranderlijkheid. Daarnaast veranderde de rol van de mens in de wetenschap: onder invloed van het gedachtegoed van Immanuel Kant kreeg de mens in de wetenschap zowel de rol toebedeeld van kennend subject als van kenbaar object (Leezenberg & De Vries). Daarmee wordt de wetenschap niet alleen door mensen bedreven, maar kan de mens middels wetenschap ook door zichzelf worden onderzocht.

Met de opkomst van de levenswetenschappen (psychologie, sociologie, taalwetenschap) raakte de mens als onderzoekbaar object geworteld in het wetenschappelijk discours dat Foucault de ‘sciences of man’ noemt (Foucault, 1972). In haar betrekkelijk korte bestaan onderging de menswetenschap ingrijpende veranderingen, waarin met name het idee van het brein als zetel van de ziel grote omwentelingen meemaakte. Met Sigmund Freud raakte de psychologie in de ban van de menselijke geest als motor van menselijk gedrag, en werd introspectie een voorname methode om de geest te onderzoeken (Van Vliet, 2006). Behavioristen banden het brein uit het wetenschappelijk domein omwille van toetsbaarheid. ‘Kenbaar’ was alleen zichtbaar gedrag, wat voor het brein niet gold. Als black box bleef het brein tot ver in de 20e eeuw verboden terrein. Met de technologische ontwikkeling in de loop van de 20e eeuw werd het brein echter steeds kenbaarder verondersteld (The Royal Society, 2011). Met de opkomst van MRI-, PET-, EEG- en fMRI-apparatuur kan breinactiviteit in verschillende hoedanigheden (e.g. chemische, elektrische of radioactiviteit) worden gemeten[2]. Metingen met de betreffende apparatuur worden visueel weergegeven, uitgezet in grafieken danwel met kleuren aangegeven op 2D- of 3D-weergaven van het brein. Met deze technische mogelijkheden is niet alleen de black box-opvatting verdwenen, maar is ook het beeld van de mens sterk veranderd (Rose, 2007). Zo claimt prof. Swaab (2010) met de titel van zijn bestseller dat ‘wij zijn ons brein’, en stelt Rose dat het zelfbeeld van de mens in de 21e eeuw primair wordt bepaald door zijn biologische opmaak.

In het huidige paper staat de invloed van het visuele karakter van breinonderzoek centraal. Nagegaan wordt niet zozeer in hoeverre de stand van de neurowetenschap mens en wereld bepaalt. Hier wordt een stap terug genomen: niet de wijze waarop neurowetenschappelijke kennis postvat in maatschappij of individueel leven, maar de wijze waarop neurowetenschappelijk onderzoeksresultaten tot ‘kennis’ verworden vormt in dit onderzoek het uitgangspunt. Aan de hand van het gedachtegoed van de denkers Michel Foucault (1926-1984), George Canguilhem (1904-1995) en Gaston Bachelard (1884-1962), wordt nagegaan hoe het brein object kon worden van wetenschappelijk onderzoek. Vervolgens wordt onderzocht hoe het brein als wetenschappelijke entiteit tot ‘feit’ heeft kunnen worden, waarbij tenslotte de plaats van visuele informatieoverdracht in wetenschappelijke bewijsvoering tegen het licht wordt gehouden.

 

2. Het brein als wetenschappelijk object

In zijn boek L’Archéologie du savoir (1969) schrijft Foucault over de ontstaansgeschiedenis van het wetenschappelijke kennen. Met het idee van épistémès die bepalend zijn voor de orde der dingen in het achterhoofd, gaat Foucault in op de ontwikkeling van wetenschap uit de breedte naar de diepte. In de klassieke periode, waarin de discontinuïteit centraal stond, lag volgens Foucault een zekere oppervlakkigheid voor de hand: ‘it was simply a question of defining the position of each element in relation to the other elements in the series’, wat leidde tot lange ketens van feiten en consequenties, die als zodanig weer nieuwe ketens vormden (1972, 7). Het vormen van een coherent en homogeen corpus van kennis werd in deze structuur van kennisverwerving bemoeilijkt, het toekennen van waarden als relevantie en waarheid praktisch onmogelijk. Met voldoende zorg en aandacht van wetenschapshistorici voor deze epistemologische problemen, deed volgens Foucault in de moderne tijd de notie van historiciteit zijn intrede in de wetenschap. ‘Historical consciousness … will once again be able to appropriate, to bring back under his sway, all those things that are kept at a distance by difference’ (12). En met het afleggen van het streven naar lineaire progressie, raakte wetenschap gericht op diepte: ‘as one ascends to the deeper levels, the rhythms become broader’.

Met veranderende opvattingen over het doel en de methode van wetenschap, bleef het uitgangspunt van waarneming als primair medium tot kennisvergaring aan. Het zicht, ‘het zintuig van het bewijsbare’, is volgens Foucault de mogelijkheidsvoorwaarde voor wetenschappelijke kennis, mits gezuiverd van visuele ruis en verstoring die niet voor iedereen gelijkelijk waarneembaar is (2006a, 168). Dit vormt het uitgangspunt van ‘empirische wetenschap’, de wetenschappelijke methode die zowel in de natuur- als in de levenswetenschappen de norm is (Leezenberg & De Vries, 2007). De microscoop was volgens Foucault bij uitstek een uitvinding die het streven naar ruisvrije visie verwerkelijkte. ‘Men zou kunnen zeggen dat het gebruik van de microscoop die beperkingen compenseert; en dat hoewel er aan de zintuiglijke ervaring in haar meest twijfelachtige grensgebieden beperkingen worden opgelegd, ze zich steeds verder uitbreidde in de richting van de nieuwe objecten van technisch gecontroleerde waarneming. Wie beter door een lens wil kunnen waarnemen, moet ervan afzien met de andere zintuigen of uit de tweede hand kennis te vergaren.’ (168). De microscoop werd gezien als waardevrije neutrale extensie van de ‘niet-instrumentele relatie tussen de dingen en het oog’ (169), en werd daarmee een betrouwbaar medium dat op objectieve wijze tot verdieping van kennis zou leiden.

Uitgangspunt van wetenschappelijke kennisvergaring is volgens Foucault dus het waarnemen, het systematisch kijken naar een beperkt aantal dingen (2006a, 169). Wat met de microscoop kon worden gezien, werd beschreven volgens vier variabelen, te weten de vorm van de elementen, hun aantal, hun relatieve grootte en hun relatieve verhouding tot elkaar en de ruimte. Met deze linguïstische beperking werd visuele waarneming in taal uitdrukbaar en overdraagbaar. Daarmee werd niet alleen een mogelijkheidsvoorwaarde voor kennis gerealiseerd, maar werd tevens voldaan aan de voorwaarde voor kennisoverdracht. Kennisoverdracht is op zijn beurt een noodzakelijke voorwaarde voor overeenstemming tussen wetenschapper, wat bijdraagt aan de gedeelde opvatting van ‘waar’ en ‘onwaar’. Wetenschappelijke overeenstemming op basis van controleerbaarheid en peer reviewing is gemeengoed sinds de oproep daartoe door de Royal Society (Leezenberg & De Vries, 2007). Voor het uitdrukken van de waarheid van dingen (les choses) zijn woorden (les mots) volgens Foucault niet voldoende (2006a, 460). Voor waardebeoordeling is interpretatie nodig, en om overeenstemming over interpretaties te bereiken is een zo objectief mogelijke vergaring en verwoording van dingen noodzakelijk.

De wetenschappelijke eis tot objectieve vergaring en verwoording van kennis was de voornaamste reden waardoor de frenologie als wetenschappelijke methode werd verworpen (Canguilhem, 2008). De frenologie was gebaseerd op een idee van directe correspondentie tussen ‘content and container’, tussen de inhoud van het brein en zijn verpakking, de schedel (8). De eigenschappen die aan het brein werden toegeschreven en het gedrag dat daar verondersteld werd uit voort te vloeien, werden gerepresenteerd door de vorm van de hersenen. Hoewel de ‘talenknobbel’ en ‘wiskundeknobbel’ nog steeds in het woordenboek staan,[3] is frenologie al in de loop van de 19e eeuw uit het het wetenschappelijk discours verbannen. Het uitgangspunt van de frenologie is volgens Canguilhem echter geërfd door de neurowetenschap, zichtbaar in het streven naar de lokalisering van functies dat de deuren opende voor ‘the golden age of cerebral localizations’ (8). Allerhande cognitieve functies en hun effecten worden toeschreven aan lokale activiteiten in het brein, die door de technologische ontwikkelingen in de afgelopen eeuw meetbaar zijn. Het brein is daarmee geen onkenbare black box meer maar een onuitputtelijke bron aan nieuwe kennis en informatie, waarin de verdieping die volgens Foucault kenmerkend is voor deze tijd, bijna letterlijk aanwezig is. Hoe dieper we kijken, hoe meer we onze blik ín het brein richten, hoe meer begrip we lijken te krijgen op ‘de mens’. Bij elke technologische verfijning wordt de blik nauwkeuriger en de jubelstemming groter (zie Rose, 2007).

De vraag is echter wat we zien. Met de komst van de PET-scan hoeft de breinonderzoeker niet langer het brein in plakken te snijden om zijn onderzoeksobject te kunnen analyseren. Met de PET-scan worden radioactieve gammastralen door het brein gestuurd en gedetecteerd, waarmee dwarsdoorsneden van het brein kunnen worden gemaakt die op een computerscherm worden weergegeven. Met behulp van dergelijke data en voldoende statistische modellen konden in de loop der tijd standaardmodellen van het ‘normale brein’ worden ontwikkeld. De fMRI-scanner detecteert elektromagnetische signalen die door het brein gestuurd worden en projecteert deze op een dergelijk visueel modelbrein. Met behulp van dit soort apparatuur lijkt het dus mogelijk te zien wat zich in het brein afspeelt bij uitvoer van bepaald gedrag door de proefpersoon. Met deze vorm van onderzoek, zo is het idee, zou het mogelijk moeten zijn om gedrag en op den duur zelfs gedachten en gevoelens op het computerscherm zichtbaar en dus (wetenschappelijk) kenbaar te maken (The Royal Society, 2011). Neurowetenschappelijke apparatuur zou daarmee een extensie van de wetenschappelijke waarneming zijn, waarmee, gelijk destijds de microscoop, de blik van de wetenschapper rechtstreeks en eenduidig verdiept kan worden. De output die neurowetenschappelijke apparatuur op het computerscherm toont, zou dus betrekkelijk gelijk zijn aan wat we kunnen zien met het blote oog, zij het van een andere orde van grootte.

De vraag is of dit verschil zich beperkt tot een niveau van scherpte: kan worden verondersteld dat dat wat we zien met behulp van apparaten, van dezelfde orde is als dat wat we zien met onze fysieke ogen? Zou het neurowetenschappelijk instrumentarium dezelfde mediatie vormen als een bril voor het blote oog, een instrument dat simpelweg het beeld uitvergroot en daarmee beter zichtbaar maakt? Of kunnen we bij deze opvatting vraagtekens plaatsen, al was het alleen omdat bij de mediatie zoveel vergrotingen en verbeeldingen komen kijken dat van een simpele lens tussen het kennend subject en het gekend object niet gesproken kan worden? ‘Even with the help of a computer, I am not very sure that we will be able to translate all the processes of consciousness in neurobiological terms,’ stelt Canguilhem (2008, 12). Met deze uitspraak bevraagt Canguilhem niet alleen de mogelijkheidsvoorwaarden van neurowetenschappelijke kennis, maar suggereert hij veeleer met de term vertalen dat geen sprake is van een direct, objectief verband tussen het oog en het brein, maar van een vertaling, een transformatie. Daarmee is het een proces dat ruimte laat voor interpretatie[4], wat aansluit bij Foucaults opvatting dat de verhouding tussen de woorden en de dingen open is voor interpretatie. De vraag is dus in hoeverre de output van het neurowetenschappelijk instrumentarium gezien kan worden als extensie van het wetenschappelijk gezichtsveld, en in hoeverre dit daadwerkelijk kennis kan opleveren over de mens en haar brein.

 

3. Het brein als wetenschappelijke entiteit

In L’Archéologie du savoir onderzoekt Foucault (1972) de totstandkoming van wetenschappelijke objecten, de benoeming van objecten binnen een bepaald wetenschappelijk kader waardoor een gemeend cohesief veld van informatie ontstaat. Als voorbeeld onderzoekt hij de categorieën die we in het huidige psychologische domein als ‘psychopathologie’ aanduiden.[5] Hij stelt dat de basis die door artsen als Esquirol en Pinel in de 18e en 19e eeuw was gelegd, mogelijk maakte dat in later tijd bepaalde soorten gedrag als afwijkend konden worden aangemerkt. Door het denksysteem dat ontwikkeld was, werd het mogelijk dat gedrag te zien als van een bepaald type. Die zienswijze werd daarbij bekrachtigd door culturele ontwikkelingen in de 19e en de 20e eeuw. ‘In these fields of initial differentiation, in the distances, the discontinuities, and the thresholds that appear within it, psychiatric discourse finds a way of limiting its domain, of defining what it is talking about, of giving the status of an object – and therefore of making it manifest, nameable, and describable’ (41). Op deze ontwikkeling van een nieuwe orde der dingen, haakte een groep medische professionals aan, waarmee de visie op psychopathologie in insitutionele zin bevestigd raakte en een verdeling van machten kon ontstaan binnen het veld: ‘medicine (as … the medical profession, as a body of knowledge and practice, as an authority recognized by public opinion…) became the major authority in society that delimited, designated, named, and established madness as an object’ (42). Dit maakte differentiatie van de categorieën mogelijk, waardoor het begrip ‘madness’ konden worden gespecificeerd op basis van collectieve en individuele verschillen.

Bij deze analyse stelt Foucault dat ‘what we are concerned with here is … to define these objects without reference to the ground, the formation of things, but by relating them to the body of rules that enable them to form as objects of a discourse and thus constitute the conditions of their historical appearance. To write a history of discursive objects that does not plunge into the common depth of a primal soil, but deploys the nexus of regularities that govern their dispersion’ (48). De psychopathologische categorieën die hij in zijn voorbeeld beschrijft, zouden dus niet los van hun wortels gezien moeten worden; waarbij zij opgemerkt dat een psychopathologische categorie niet één wortel heeft maar geworteld is in een rijk veld vol vertakkingen van wortels, vergroeiing en bekruiping over de bodem, afhankelijk van de juiste bewatering, bemesting en klimatologische omstandigheden. Volgens Foucault heeft het woord even weinig draagkracht als het ding op zichzelf; ieder bepaald vocabulaire zou moeten worden beschouwd als netwerk van referenties binnen een omvangrijk discours.

Uit Foucaults analyse van de formatie van het wetenschappelijk object, kan opgemaakt worden dat het wetenschappelijk object tot stand komt binnen historische omstandigheden en specifieke tijdgebonden zienswijzen. De aanduiding en hantering van wetenschappelijke objecten is afhankelijk van de verschillende bases die voor het betreffende discours in de loop der tijd gelegd zijn. Dergelijke objecten in isolatie bestuderen doet volgens Foucault dus geen recht aan het netwerk van referenties dat het wetenschappelijk object omvat. Waar de levens- en geesteswetenschappen hun onderzoeksobjecten moeilijk los kunnen zien van hun historische context, is isolatie van het onderzoeksobject – bestudering van wetenschappelijke objecten los van de historische context – in de natuurwetenschappen meer gebruikelijk (Leezenberg & De Vries, 2007).

Juist met betrekking tot de psychopathologie die Foucault als voorbeeld geeft, is de psychologie wat dit betreft een moeilijke discipline. Psychologe Feldmann Barrett stelt dat ‘psychology has always been in bit of an identity crisis, trying to be both a social and a natural science’ (2009, 326). Getekend door het lichaam-geestdebat dat met Descartes werd geproblematiseerd, hinkt de psychologie heen en weer tussen wetenschap en common sense. Mensen zeggen zelf te denken en te voelen, vrije keuzes te kunnen maken en een ziel te hebben. Aan psychologisch determinisme wil de gemiddelde mens niet geloven. ‘This is not a failing of the scientific method per se – it is a natural consequence of how the human brain sees and hears and feels… and does science,’ stelt Feldmann Barrett (326). Psychologie wordt dus gekenmerkt door twee polen, die van de autonome menselijke ervaring, het uitgangspunt in de klinische psychologie (zie ook Hacking, 1999), en die van wetenschappelijke causaliteit, een uitgangspunt dat onder meer zichtbaar is in de klinische neuropsychologie. Met betrekking tot het laatste stelt Feldmann Barrett dat in het zoeken naar causaliteit in de psychologie, psychologische feiten vaak worden verward met fysiologische feiten. De neurowetenschapper zou bij deze opmerking waarschijnlijk stellen dat psychologische feiten fysiologische zijn. Los van de vraag of neurowetenschappelijke feiten psychologisch, fysiologisch of beide zijn, is de vraag hoe deze ‘feiten’ feit worden.

In zijn essay The brain and thought gaat Canguilhem (2008) in op de relatie tussen het menselijk denkvermogen en het brein. Hij stelt dat ‘the brain and thought had become so closely united, and even confused, in the thought – or the brain – of some physiologists that even some poets were led to attribute all responsibility for painfully lived experiences to the brain’ (9). In deze opmerking weerklinkt niet alleen de psychologische worsteling tussen wetenschap en common sense, maar komt ook de voor de wetenschap problematische relatie tussen brein en geest aan de orde. Canguilhem haalt verschillende auteurs aan waarmee hij aangeeft dat de psychologie en de neuropsychologie mogelijk teveel verweven zijn geraakt, en gaat vervolgens in op de verklaringen daartoe. Het brein als entiteit, als onderzoeksobject, is dusdanig complex dat het veelal wordt beschreven met hulp van metaforen (Regt, Dooremalen & Scholten, 2010). Waar het brein een eeuw geleden werd vergeleken met de toen meest vernuftige technische ontwikkeling de telefoon, heeft de brein-metafoor met de technische ontwikkeling grondige metamorfosen ondergaan. Met de uitvinding en bijzonder snelle ontwikkeling van de computer, is het neurowetenschappelijke vocabulaire excessief uitgebreid.

Volgens Canguilhem is ‘the now hackneyed metaphor of the brain-computer justified in so far as what is meant by thinking in logical operations, calculation, reasoning’ (2008, 11). Daarmee heeft de computermetafoor een belangrijk aandeel gehad in neurowetenschappelijke kennisvergaring. Om met Foucault te spreken: de computermetafoor heeft de orde der dingen zodanig beïnvloed dat niet alleen de visie op het brein en haar werking, maar ook de autoriteit en machtsverhoudingen in het wetenschappelijk veld en de differentiatie en specificatie van het onderzoeksobject zelf, gevestigd kon worden op de wijze die nu nog gangbaar is. Canguilhem wijst op de beperking die met deze metafoor wordt opgelegd aan de vragen die binnen de neurowetenschap gesteld kunnen worden. Want wat zegt de computermetafoor over de ‘vrije wil’ van de mens als uitvinder ván de computer, die met liefde vijftig nieuwe versies bouwt om hem te laten werken zoals hij dat beoogde? Een type vraag die door veel filosofen gesteld wordt, aldus Canguilhem, maar niet per definitie afdoet aan de functionaliteit van de metafoor. ‘The computer emerged as a by-product of an attempt, enabled by the development of twentieth-century electronics, to mimic properties of the brain already identified by the nineteenth-century neurophysiology… The description of this functional nature of the schema in the current language of computing does not fundamentally change it’ (11).

De vraag is in hoeverre de gebruikte metafoor inderdaad beperkt blijft tot het niveau van beschrijving en het onderzoeksobject zelf niet fundamenteel verandert. Als we Foucaults analyse van de ontwikkeling van psychopathologie in ogenschouw nemen (1972), lijkt het er op dat de manier waarop we het onderzoeksobject beschrijven, wel degelijk van invloed is op de manier waarop we het object daadwerkelijk waarnemen, evenals de wijze waarop vervolgens hypothesen worden gesteld, onderzoek wordt gedaan en uiteindelijk differentiatie en specificatie van het object plaatsvindt. Met de computer als metafoor voor de werking van het brein beïnvloedt de manier waarop we over praten, ook de manier waarop we het brein waarnemen en dus waarop we het object kunnen onderzoeken. Volgens Canguilhem (2008) werkt de moderne wetenschap met modellen die geconstrueerd worden op basis van observaties en experimenten binnen een zeker domein van de werkelijkheid. Op basis van die modellen wordt kennis (connaissance) vervolgens verfijnd. Met een computermetafoor voor het brein is het niet alleen mogelijk om bepaalde waarnemingen te beschrijven als computergerelateerde processen, het zorgt ook dat we in het brein op zoek kunnen gaan naar processen die we kennen als computergerelateerd. De metafoor bevindt zich zo dus niet alleen aan het einde van de onderzoekslijn, als hulpmiddel bij het beschrijven van de onderzoeksresultaten, maar het vormt ook de basis voor nieuwe observaties en theorieën, waarmee de empirische cyclus dus opnieuw in gang wordt gezet.

Zeker vanuit het gedachtegoed van Foucault wordt de neurowetenschappelijke praktijk op dit punt interessant. De gedachte lijkt voor de hand te liggen dat als het brein toch zo zou werken als een computer, de output die daadwerkelijk op het computerscherm verschijnt weergeeft wat zich afspeelt in het brein. Als de computer blijkbaar de processen kan detecteren die in het brein plaatsvinden – detectie die mogelijk is omdat de computer de processen ‘van binnenuit kent’ – dan zal de output op het computerscherm ook representatief zijn voor de processen in het brein. De metafoor maakt dus mogelijk dat we uitgaan van een directe representatie tussen brein en output op het computerscherm. De apparatuur wordt zo een extensie van de wetenschappelijke blik, zoals de microscoop en de bril dat ook zijn: het vergroot direct het bereik van onze blik, het maakt scherp wat we met het blote oog net niet kunnen zien. De metafoor rechtvaardigt zo een idee van directe representatie.

Wat in deze opvatting echter niet aan de orde komt, is het probleem van vertaalbaarheid. Of het nu gaat om de computer of om de mens, er is een verschil tussen input, verwerking en output. Er is een proces gaande, een verandering. In het geval van de computer leiden de intrinsieke processen tot een vertaling van input naar een bepaalde codetaal (0-en en 1-en), die vervolgens getransformeerd kan worden tot zichtbare output, bijvoorbeeld in de vorm van plaatjes op het beeldscherm. Dergelijke visualisering is dus het resultaat van transformatie. Ook neurowetenschappelijke instrumenten maken gebruik van dergelijke vertaalprocessen: de elektrische of magnetische impulsen die door het brein worden gestuurd, worden gedetecteerd en in een bepaalde code vertaald, waarna deze getransformeerd kan worden tot een afbeelding op een computerscherm. In het geval van fMRI wordt de gedetecteerde informatie weergegeven als kleurvelden geprojecteerd op een geanimeerd brein (zie afbeelding 3 & 4). Deze breinanimatie is een model, een standaard, een gemiddelde. Stel dat de kleurvlakken op de afbeeldingen hieronder inderdaad direct representatief zijn voor de activiteit in de hersenen van proefpersoon x, dan kan het feit dat deze kleurvlakken op een standaardmodel geprojecteerd zijn, nog steeds voor vertekening zorgen. Het brein van proefpersoon x is niet per definitie gelijk aan de standaard – een uitgangspunt van individuele verschillen dat in de psychologie gemeengoed is. Het weerwoord van de neurowetenschapper zou hier waarschijnlijk zijn dat dergelijke vertekening wordt ondervangen middels zorgvuldig ontworpen statistische modellen (zie The Royal Society, 2011). Met dit antwoord mag echter duidelijk zijn dat output gegenereerd met neurowetenschappelijk intstrumentarium geen directe waarneming is, maar een vertaling, een transformatieproces. Dat op basis van dergelijke processen kennisvergaring mogelijk is zal hier niet worden betwist. Wel blijft de vraag hoe neurowetenschappelijke resultaten, gegeven deze vertaalprocessen, uiteindelijk wetenschappelijke ‘feiten’ worden.

4. Het brein als wetenschappelijk feit 

De Franse filosoof Gaston Bachelard onderzocht in zijn boek The new scientific spirit (1934) de relatie van de wetenschapper tot zijn wetenschappelijk object. Volgens Bachelard is wetenschappelijke observatie altijd polemisch: iedere observatie bevestigt of weerlegt een eerdere hypothese of stellingname, een bestaand model of een observationeel protocol (Parkinson, 1999). Wetenschap creëert zo een werkelijkheid: ‘science calls into being a world, not through some magic force, immanent in reality, but through a rational force immanent in the mind… Scientific work makes rational entities real, in the full sense of the word’ (Bachelard, 1999; in: Parkinson, 1999, 160). Met Foucault in het achterhoofd zou men zich kunnen afvragen in hoeverre de wetenschapper werkelijk in staat is zijn eigen zienswijze en wereld te creëren, meer dan dat deze bepaald wordt door een collectieve orde der dingen. Los van deze vraag, is het een feit dat het de wetenschapper als mens is die de output gegenereerd door neurowetenschappelijke apparatuur afleest, interpreteert en incorporeert in zijn beeld van wetenschap en wereld.

Wat de wetenschapper ‘ziet’ in het gebruik van zijn instrumenten is een beeld, een afbeelding of representatie van zijn onderzoeksobject. Om zijn voorafgestelde hypothesen te bevestigen of weerleggen, interpreteert hij het beeld dat door zijn instrumentarium is gegenereerd. Deze interpretatie van het beeld leidt tot nieuwe hypothesen en theorieën. De observatie is strikt genomen het beeld dat op het computerscherm verschijnt. Op basis van dit beeld, deze visualisering van het onderzoeksobject, wordt de empirische cyclus dus vervolgd. Hiermee kan, zoals in de inleiding van het huidige paper werd gesuggereerd, gesteld worden dat het beeld niet zozeer illustratief is voor de onderzoeksresultaten, maar het onderzoeksresultaat is. Vanuit het idee dat neurowetenschappelijke instrumenten een extensie vormen voor de wetenschappelijke blik, is het beeld dat door de apparatuur gegenereerd wordt, een entiteit die niet slechts een ondersteunende factor is in de evaluatiefase van de empirische cyclus, maar een doorlopende rol speelt in het hele wetenschappelijke proces. Het beeld heeft in de neurowetenschap dus niet alleen een plaats aan het einde van de onderzoekslijn, maar ook aan het begin. Op dat punt kan men zich afvragen in hoeverre een afbeelding van het onderzoeksobject daadwerkelijk een observatie kan zijn. Want hoe komt die afbeelding op dat scherm terecht? Waar kijken we naar, als we die output beschouwen op dat beeldscherm?

Bachelard stelde dat wetenschappelijke fenomenen tot stand komen onder invloed van de menselijke hantering van technologie, wat hij fenomeno-technologie noemt (Parkinson, 1999). Hij stelt dat ‘phenomena must be selected, filtered, purfied, shaped by instruments; indeed it may well be the instruments that produce the phenomena in the first place. And the instruments are nothing but theories materialized’ (1984; in: Rose, 2007, 79). Het instrument wordt door de wetenschapper gebouwd om het onderzoeksobject van zijn gading te kunnen bestuderen. Het wordt zo ingesteld dat hij de beste mogelijkheid heeft om te zullen zien wat hij hoopt te zien – zoals een bril precies wordt afgesteld op het gezichtsveld van de drager. In het ontwerp van de machine en de afstelling op het beoogde spectrum, wordt dus al uitgegaan van dat wat gezien beoogd te worden. Het laatste impliceert dat aan het ontwerp van het instrument al een theorie ten grondslag ligt, een hypothese over wat mogelijk zichtbaar zal zijn. Voor de hand ligt dat men geen apparaat zal bouwen voor iets dat men niet verwacht te zullen zien. In het ontwerp van het instrument ligt dus een theoretische beperking besloten.

De vraag is dan wat we zien, als we een instrument gebruiken die ontworpen is vanuit een bepaalde theorie. Zien we een directe weergegeven observatie van het werkelijke onderzoeksobject, of zien we dat onderzoeksobject weergegeven op een wijze die vooraf is bedacht? Net zoals Canguilhem (2008) de onderzoeker omschreef die van de computer met liefde vijftig versies ontwierp tot hij echt deed wat hij wilde, maakt de neurowetenschap gebruik van apparatuur die precies weergeeft wat de bouwer van het apparaat beoogde. Hoe representatief dit beeld is is zonder de apparatuur uiteraard niet vast te stellen, aangezien er geen andere methode dan deze apparatuur is om het onderzoeksobject (het brein) waar te nemen. Maar wat wel gesteld kan worden is dat het neurowetenschappelijk instrumentarium geen directe extensie is van de wetenschappelijke blik, danwel het menselijke oog.

Waar staat nu dan het neurowetenschappelijke feit? Dat met het besproken vertaalprobleem in de neurowetenschap en de niet houdbaar bevonden hypothese dat het neurowetenschappelijk instrumentarium een directe extensie is van de wetenschappelijke blik, rechtvaardigt niet te stellen dat met neurowetenschappelijke kennisvergaring geen feitvorming kan ontstaan. Wel wordt gesteld dat feitvorming in de neurowetenschap bestaat bij de gratie van visuele informatie. Daarmee zijn we terug bij het oog. Men zou niet kunnen ontkennen dat de neurowetenschapper bij het bekijken van de output op het computerscherm niet ziet wat hij ziet: het beeld an sich dat door de apparatuur gegenereerd wordt, is direct en met het blote oog waarneembaar. Daarmee is de afbeelding feitelijk, en voldoet beschrijving daarvan aan de normen voor empirische wetenschap. Hierin schuilt echter het gevaar dat referentie en de referent worden verward. Wat we zien is een afbeelding, die geacht wordt een representatie te zijn van een zeker object – het brein. De afbeelding is een feit, de representatie een aanname en de referent een grote onbekende. Daarmee is niet gezegd dat de referent bij nader inzien toch beter als black box benaderd kan worden, maar wordt hier wel met klem benadrukt dat gevaar schuilt in het letterlijk nemen van de referentie. De afbeelding mag dan alom vertegenwoordigd zijn in de empirische cyclus rond het breinonderzoek, maar daarmee vallen de afbeelding en het onderzoeksobject nog niet met elkaar samen. Zou dat laatste het geval zijn, dan zouden we niet langer het brein onderzoeken, alswel de verbeelding daarvan. Vergevoerd zouden we dan zelfs kunnen zeggen dat het onderzoeksinstrument ons onderzoeksobject zou zijn. De vraag is dan wat daarvan nog de betekenis is. Ten overvloede zouden we kunnen stellen dat als we dergelijke verwarring laten bestaan in neurowetenschappelijke kennisvergaring, de claim niet langer houdbaar zou zijn dat ‘neuroscientific research abuts on the psychological, and clarity regarding the achievements of brain research presupposes clarity regarding the categories of ordinary psychological description – that is, the categories of sensation and percpetion, cognition and recollection, cogitation and imagination, emotion and volition’ (Bennett & Hacker, 2003, 115). En dat kan toch niet de bedoeling kan zijn van wat Foucault aanduidde als de ‘sciences of man’ (1972). Dus tenslotte als treffend verbeelde waarschuwing:


[3] Zie Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal

[4] Zie voor een filosofische beschouwing bijvoorbeeld de werken van Willard Quine of Donald Davidson.

[5] Opgemerkt dient te worden dat Foucault een historische analyse poogt te geven van de formatie van het wetenschappelijk object, waarmee hij geen norm of patroon vaststelt.

Pdf: De bril van de neurowetenschap

Advertisements

Opposites attract

Opposites attract

About the concept ‘hence’ in the determinism – free will debate

‘Do we have free will?’ Benjamin Libet (1999, 47) asks in the title of his paper on free will as opposed to determinism. Based on ‘intuition’, most people tend to answer this question in favour of free will (Dennett, 2007, 1). Scientists on the other hand tend to favour determinism, due to the assumed impossibility to measure – thus the unscientific character – of free will (Wegner & Wheatley, 1999, 480). The debate on the existence of free will as opposed by determinism is striking for a number of reasons, one of which is the character of the debate itself. In the debate determinism and free will are presented as the two available categories, and sides are often chosen by rejection of the other one. The process of argumentation in the debate typically is of the form ‘x is false by means of science/intuition, hence, y is true’. The question in the current paper is whether it is tenable to perceive free will and determinism as such opposing categories, and how that relates to the use of the concept ‘hence’ in the debate.

As Libet asks the question whether we have free will, the debate might benefit from a more thorough understanding of what is free will. How are the terms free will and determinism defined in order to decide which side is tenable? Opponent of free will Dick Schwaab defines it as ‘the possibility to make choices without influence of external or internal cues’ (Sinjan, 2010, 72). Proponent Benjamin Libet states that free will implies that ‘one could be held consciously responsible for one’s choice to act or not to act’ (1999, 52). Free will thus is causal for human behaviour. Libet restricts this notion by stating that free will is ‘not to initiate a voluntary act, but rather to control whether the act takes place’ (54), so the human being can unconsciously be prepared for action but has a conscious free possibility to veto that action. On a basic level people are determined by their atomic make-up and are restricted by the laws of nature, but on a certain higher level they are able to prohibit prepared action, which implies that people are free to choose to act one way or another. Opponents of determinism Wegner and Wheatley (1999) on the other hand, reject such a higher level by stating that the experience of free will is determined by lower level brain mechanisms as well.

In the 19th century Pierre-Simon Laplace defined determinism as ‘an ‘intelligence’ who at a given instant in time knows the state of all elements of which the universe is composed and, moreover, has an unlimited capacity for computing’ (1814; in: Kampen, 1991, 274). Through time, broad types of ‘intelligences’ have been proposed, such as ‘God’ and ‘nature’. In physical sciences, nature is accepted as the cause for events in the world. With regard to human beings though, a consensus on the determination of behaviour has not been reached. The homunculus, the ‘inner puppeteer who pulls the body’s strings’ (Dennett, 2007, 6), has lost most of its popularity (Gray, 2002), and its proposed heir ‘nature’ has not yet been inaugurated. Such natural determinism would imply that human beings behave ‘as machines that act in a manner completely controlled by the known physical laws’ (Libet, 1999, 56). This envisioning of determinism yet only covers the aspect of causation, in accordance to Laplace’s ‘ontological determinism’ (Kampen, 274). If every event in the world is caused by principally knowable mechanisms (whether or not human beings can objectively be aware of them), every event in the world should also be predictable. This is to say that if determinism holds, we not only should (principally) be able to know the causes of events before a certain time t, but also beyond that time t.

However, striking is that proponents of determinism with regard to human beings do not seem to hold this vision of a future reaching determination. They tend to favour a moderate version that lies in the scope of scientific reductionism (Kieviet et al., in press[1]) rather than in the implication of a constant future causation of events. Curiously, the opponents of determinism also seem to hold this nuance, as Libet asks ‘whether our consciously willed acts are fully determined by natural laws that govern the activities of nerve cells in the brain, or whether acts and the conscious decisions to perform them can proceed to some degree independently of natural determinism’ (54). According to Dick Schwaab determinism makes free will illusory (Sinjan, 2010, 70), but according to Libet withín the scope of determinism some sort of free will does exist. So, if we overview the arguments to argue for or against determinism or free will, the two sides do not seem so opposite after all. The position one could take favouring one or the other depends on the way both sides are defined, which might make one wonder if these are really two distinct opposing categories, or that free will might be a subcategory mediating a scale of determinism, or that it even are two distinct scales that both could be true to a certain extent (which Dennett (2007) calls compatibilism).

Nonetheless, in the debate opponents and proponents do argue for or against determinism as opposed to free will, which shapes the character of the debate, illustrated by Hans Dooremalen’s utterance that ‘we – as scientists – should accept determinism, […] hence the conclusion that free will indeed is an illusion’ (Philosophy of Psychology, December 24th, sheet 117). Suppose that the two sides are thus defined that it essentially are two distinct categories (regardless of the favour to one or the other), so say that x is determinism and y is free will or vice versa. As was stated in the introduction of the current paper, most participants in the debate follow the argumentation of ¬xy: if x is false than y is true. Logically this sentence may be valid, but as a scientific devise to decide between determinism and free will it seems to be at odds with the basic perspectives in science.[2] According to Karl Popper (1972), scientists, desiring to discover truth, try to design experiments that show falsity of statements, so that they could peal of the layers of all sorts of untenable statements in order to come somewhat closer to ‘the truth’. Based on Poppers perspective on science, scientists tend to reject free will because it is not falsifiable as a scientific statement. The term ¬x in the logical sentence above thus represents the aim of scientist headed towards scientific falsification.

However, the conclusion drawn from the falsity of one of the sides, namely the trueness of the other, is at odds with the basic idea of scientific experimentation. That is to say, concluding that one option is false hence the other one is right, seems to be an aim directed at verification (Carnap, 1995), which nowadays is considered an unscientific goal (Leezenberg & De Vries, 2007). Moreover, to reject one category due to its unscientific character, to then adopt a perspective that might be just as unscientific because we could never oversee its scope (that is to say, we test the reductionist side of determinism but we can never be sure about the deterministic implication of ‘exactly one physically possible future’ (Inwagen; In: Dooremalen, Philosophy of Psychology, December 22th) without relying on induction) is at least odd. So beyond the possibility to draw such a conclusion if it is not even clear whether x and y are terms that can really be opposed (although that just might be attractive), one might wonder if the hunt for one holy grail in the determinism­-free will debate is scientific at all.

Pdf: Opposites attract


[1] see Femke Truijens, Philosophy of Psychology, Paper I

[2] see Femke Truijens, Philosophy of Psychology, paper III

Beyond methodology

Beyond methodology

About the disunity of psychology

‘In the overwhelming majority of cases in psychology, the intended interpretations of research data go beyond the actual observations’, Borsboom et al. state in their article on the disunity of psychology (2009, 8). Considering Lykken’s hypothesis (1991; in: Borsboom et al.) about the differences between people, they overview Cronbach’s (1957) aim at one unified psychological science. According to Borsboom et al., psychology is directed at extracting ‘indicators’ of ‘underlying structures’ out of observations, which are called ‘somewhat misleadingly, a ‘construct’’ (8). This last utterance they place as a side issue between brackets, but it might indeed be the grail in the controversy. For what is this ‘construct’ and how does it reveal underlying scientific perspectives?

According to Borsboom et al. (2009), there are two types of researchers in psychology. Experimental researchers manipulate variables systematically in order to ‘demonstrate the existence of causal effects’ (Borsboom et al., 3). Correlational researchers focus on the ‘structure of association  between variables on which people differ’ (ibid., 5). ‘What the experimental psychologist views as error, […] is the object of study for correlational psychologists’ (ibid.). Borsboom et al. however state that this disunity of psychology should be embraced ‘as the working hypothesis’ (Fodor, 1974; In: Borsboom et al., 26). Distinguishing between experimental and correlational researchers, Borsboom et al. suggest that the differences in their theoretical views are driven by their methodological choices, that is, the differences are determined by methodology. Left open however is how scientist come to make these choices. What goes beyond these researcher’s methodologies?

However misleading the ‘construct’ may seem, according to Borsboom et al. (2009) it is extensively used in psychological research. As indicators of underlying structures, experimental psychologists use constructs that ‘give evidence in support of a universal law or mechanism’, although ‘through the ‘lens’ of statistical analysis’ (Borsboom et al., 4). This aim is consistent with the logical positivist perspective on science, which states that ‘every scientific statement should be based on and reducible to statements of empirical observations’ (Carnap, 1995a, 3). Universal laws are then generated as expression of ‘regularities […] observed at all times and all places’ (ibid.). Logical Positivist Rudolf Carnap states that in psychology ‘statistical laws are the best that can be stated, because there is not sufficient […] knowledge to warrant a universal law’ (ibid., 8-9).[1] Nonetheless, experimental psychology is headed at catching the world in laws, with psychological constructs as its fishnet. This aim implies that it is possible to formulate psychological laws about the world, were it at least about certain parts of certain populations.

Philosopher of science Ian Hacking would call this pursuance of psychological research ‘constructivism’ (1999, 49). Constructivism is the practice of creating a construct in order to be able to use it: without being created the construct does not exist, but when created, the construct is supposed be lawful. Exemplary is the invention of mathematical constructs, without which we were not able to calculate, but whose meaning is since their creation lawfully fixed (Hacking, 46-47). In psychological methodology, this kind of constructivism seems to be the aim: using a variety of statistical methods, we try to create constructs that furthermore follow statistical laws, and are, since ‘hypothetical entities or quantities [are] called constructs’ (Hacking, 1999, 44) more or less constructively valid (Cronbach & Meehl, 1955). This form of constructivism is again consistent with a logical positivistic view on science: although the laws described by psychological constructs are not universal, the possibility to find statistical laws does exist. The opportunity to find constructs is inherent to the object of study.

However, psychology does not end with the formation of constructs; it is directed at application in the outer world. Mathematically constructed and approved devises are used in a variety of outer world settings to understand something about certain people. Researchers and practitioners directed at individual differences however mainly aim to understand the world out of people’s perspective. In this respect, cognitive behavioural therapists McGinn and Young (1996) state that psychology is a constructionist science, directed at the constructs people hold in life. ‘[Psychologists] reject a “correspondence theory” of truth […]. Instead, they hold that the viability of any given construction is a function of its consequences for the individual who adopts it.’ (McGinn & Young, 184).

The question arises if we are still talking about the same ‘construct’. Is the constructivism of psychological methodologists equal to the constructionism embraced by psychologists? According to Hacking (1999), it is not. He states that constructivism and constructionism differ with respect to the actor. Constructivists are the actor in the process of construction, while constructionists follow the way constructions are produced by actors other than themselves. Speaking with Cronbach, the constructivist would be the ‘puppeteer’, while the constructionist rather is ‘observer of a play’ (1957, 7). This difference might yet be extended into a fundamental perspective on science. Experimental psychologists hold the view that science is able to find laws about the world, at least to a certain degree. Psychologists directed at individual differences hold the view that people are driven by their own interpretation of the world, which implies that in practice we cannot assume the world.

This matter displays similarity to the issue raised by Joel Michell (2006), who states that certain constructs measured in psychology are not inherently quantitative and thus not measurable. Going beyond the psychological assumption of measurability, he finds that the objects of study inherently differ in quantifiability. The same awareness might be needed regarding the inherent structure of the ‘construct’ used in different fields of psychology. Michell states that ‘science, as the attempt to understand nature’s way of working, knows nothing of practicalism, for scientific knowledge is neither useful nor useless, in itself’ (2006, 365). With regard to the disunity of psychology this idea is unavoidable: psychological research is pursues involvement in the outer world. Methodological devises are designed and applied to understand and guide people in their world. One could wonder though, if it is possible to apply devises on objects, while they radically differ in their perspective on the possibility to know ‘the world’. Does this difference between the worldviews beyond methodology do justice to Borsboom et al.’s (2009) aim to embrace disunity of psychological methodology as working hypothesis? Or might they be inherently incompatible?

Pdf: Beyond methodology


[1] Universal laws apply to any concerning x in all possible worlds, ‘at any place in universe, at any time, past, present, or future’, e.g. “all ice is cold” (Carnap, 1995a, 3). Statistical laws may be valid ‘if the percentage is specified or if in some other way a quantitative statement is made about the relation or one event to another’, e.g. “ripe apples are usually red” (ibid.). See Carnap (1995a), Chapters 1 and 2.

 

 

The scientific metaphor as dead as a doornail?

As dead as a doornail?

About the scientific usefulness of the metaphor

There are no unsuccessful metaphors, just as there are no unfunny jokes (Davidson, 1978, 31).

‘Knowing is nothing but working with one’s favorite metaphors’, Friedrich Nietzsche (1979) sated in one of his notebooks. To a certain extent Donald Davidson (1978), philosopher of language, agrees, acknowledging that language is permeated with metaphors. Examination of their linguistic foundations, however, leads him to the conclusion that ‘to make a metaphor is to murder it’ (Davidson, 34). A consequence Hans Dooremalen, philosopher of mind, rather pursues, wishing metaphors in the scientific practice to be as dead as a doornail. The question in the current paper is whether such a metaphor free science is desirable, and whether it, supposed to be possible, would be eligible regarding the development of knowledge.

In his article Davidson (1978) is on the hunt to shoot the idea of metaphors’ double meaning. Stating that ‘the metaphor belongs exclusively to the domain of use’ (Davidson, 33), he argues against the common view that a metaphor, besides its literal meaning, has a second, figurative meaning. According to Davidson the additional portion of meaning assigned to metaphors is essentially nothing more than ‘ordinary meaning’ (Davidson, 40). Dismissing that mystical extraness of the metaphor, however, does not imply necessity of its ultimate rejection. It is an apparent fact that metaphors are principally untrue, but does that mean that they do not have a true function in our scientific language? What if, driven by the fact that the metaphor is a priori untrue, we abnegated the metaphor in science, would the remaining science then continue to be in the traditional scientific realm at all?

Charles Peirce (1877), scientist and semiotic philosopher, argues that the ambiguity raised by the metaphor provokes annoying doubt. This ‘irritation of doubt’ is philosophers’ and scientists’ main motivator to discover ‘the truth’, by getting rid of untrue statements and all possible doubt. ‘The sole object of inquiry is the settlement of opinion’, Peirce states. Yet how accurate is this scientific image?

Science is aimed at gaining knowledge about the world (in which one could question the scope of ‘knowing’ the world; see appendix), by conducting experiments based on hypotheses. According to Popper (1972) this aim demands doubting scientists, who should peal of all layers of untrue statements to eventually possibly ever become near ‘the truth’. Doing so, theories might be constructed that are able to survive several crucial tests trough time (Popper, 30). According to McMullin (1984), such theories are ‘expected to predict novel phenomena, that is, phenomena that were not part of the set to be explained’ (McMullin, 30). Theories thus are developed to get an insight in yet unknown properties of the world. Just this realm of unknowingness, the ‘explanatory gap’ (Levine, 1983; in: Chalmers, 1996, 47), is the main interest in science.

According to Davidson (1978), it is the metaphor that ‘makes us attend to some likeness, often a novel or a surprising likeness, between two or more things.’ (Davidson, 33). Thus the metaphor might point to a side of the world were the good stuff is happening, the place to be for the scientist. By its obvious falseness, the metaphor might open our eyes for the possible trueness of its opposition. Thus metaphors ‘provide a kind of lens […] through which we view the relevant phenomena’ (Davidson, 45). So to answer the first question in the current paper: metaphorical homicide would yield the loss of this convenient device to detect entities and relations in the world and to generate hypotheses and theories.

This would not only hurt the process of science, it also leads to the second question if the remaining metaphor free science would be science at all. Considering that explanatory gaps, containing yet unknown entities screaming to be inquired, are the primary candy store of objects of study, it would be paradoxical to say that science starts by finding the literal meaning of these objects, which would lead to naming the entities in a purely literal doubtless way. This would say that knowing the thing is required to know the word, which would be circular: to know the word requires to know the thing, but to inquire the thing it’s required to name, define and demarcate it. Demanding scientists to exclusively use vocabulary that is explicitly literally true, would be to ask scientists to know the extension of the objects of study in advance, that is, a priori. Besides the current philosophical reservation against such an idea of knowledge, it would also imply that science is to come to an end. If we are restricted by the words we truly know to be literal to guide our scientific practice, there would be a time in science in which everything is being said with the words we have in our scope. Science then would hit on the finity of vocabulary, without being able to develop furthermore.

To conclude I would say that I do think that metaphors form a problem in science, that is, metaphors containing the risk to be taken literally. Metaphors are literally untrue out of principle, and obviously such an untrue statement should not be taken as true or, for that matter, as scientific tool for explanation. However, to state that by this feature metaphors should be filtered out of science all together, in my opinion ignores its practical usefulness. As Aristotle already said, ‘the point of a metaphor is precisely that it is not taken literally’ (Klamer & Leonard, 1994, 22). I think metaphors function as a warning, producing a linguistic contradiction thát obvious that the irritation of doubt is raised, which forms one of the most persistent motivators in science. It challenges scientists to keep getting intrigued, to keep looking around and to stay wondering about the great unknown world. By dismissing the metaphor out of science, a huge internal motor of science would be dead. So to murder the metaphor would rather make science as dead as a doornail.

Appendix

Now what about “truth”. During class “truth” was defined as the correspondence between a sentence and a state of the world, the correspondence between the utterance and the facts. In science the ultimate goal is to discover the “truth”, all the efforts we make are directed at peeling off the layers of untrueness to ultimately discover “the truth”. But what about this word, what is it referring to? Stated as I just did regarding the goal of science, it is suggested that “truth” is a state of the world, a property of our surroundings that is more or less able to be discovered. However, in the definition of truth as given above, it is suggested that “truth” applies to “correspondence”, to a relation between entities in the world, that is, between states of the world and utterances. And then we have this discussion about metaphors, of which we say that they are untrue by virtue of their being a metaphor, that is, by stating a relation that is not to be found in the real world. But in this case, the trueness is applied to the sentence, to the inherent inability of the sentence to ever correspond or apply to the real world.

I am wondering though, if these application of the term “truth” refer to the same kind of “truth”. Is trueness of a sentence the same as the “truth” we more or less expect to discover in a far away future? Is this “truth” we expect to be inherent to the world, the true state of things we might someday grasp in science, the same kind of “truth” as the “truth” we find in sentences, which we might define through logic devices like truth tables? And what about the situation in which a sentence are true but the corresponding state of the world is not, like when you utter a true sentence about a lie? Where then do we apply this term “truth”, in language, world, or relations? Is “truth” equal to “reality”? And is “truth” equal to “trueness”?

Suppose we say that these applications of the word “truth” are not the same, then the discussion about the dismissal of metaphors based on their untrueness which does not truly correspond to our scientific aim to discover the “truth”, would be metaphorical itself (that is, it would be to equate entities that are not equal).

But suppose we say that these “truths” are the same, something curious happens: the metaphor being a part of the world is true (by virtue of their existence in language, by our use and by the name we gave them), therefore, the existence of metaphors is “truth”. Thus, the use of metaphors is “truth”, hence, despite the linguistic untrueness of the sentence, the dismissal of this linguistic device would be to deny a part of the “truth” we aim to discover in science.

Either way, dismissal of the metaphor out of science based on its trueness is problematic regarding “the truth” we are desperately trying to discover in science.

Pdf: As dead as a doornail?

 

Neuroscience and its hitchhiker’s guide to the galaxy

Neuroscience and its hitchhiker’s guide to the galaxy

‘Psychology has always been in bit of an identity crisis’, Lisa Feldmann Barrett states in her article about the future of psychology, ‘trying to be both a social and a natural science’ (2009, 326). ‘The largest challenge in 21st-century psychology’ is the ‘mind-brain correspondence’ (Ibid). With this statement Feldmann Barrett enters the gap between psychology and cognitive neuroscience that has expanded tremendously ever since the first neuroscientific successes. Typical questions within the current neuroscience are about the evolvement and even overruling of neuroscience regarding psychology as a scientific discipline. The question of concern in this essay is how the relation between neuroscience and psychology will unfold in the next decades. Its answer is metaphorically speaking subject to multiple realizability (Putnam, 1980; In: Kievit et al., in press), and will be considered in the light of the scientific foundation of psychology’s identity crisis.

The question about the future relation between psychology and neuroscience is a layered one, which could be answered at (but not reduced to) different levels. The question concerns two scientific domains that are practiced in different institutes with different means by differently educated scientists. Are we heading towards a paradigm shift (Kuhn, 1962), or might there still be a chance for these two domains to reunite? A second layer concerns the object of study, that is, the connection of the opposing terms ‘brain’ and ‘mind’ to neuroscience and psychology, respectively. Are these terms just different words that shape the way we look at our object of study (Feldmann Barrett, 2009, 329) or are they different concepts that are yet incommensurable (Kuhn, 1962)? The final layer concerns the linguistic content of the term ‘psychology’, that might refer to psychological knowledge as opposed to neuroscientific knowledge, but also to the general scientific discipline ‘psychology’ that contains the domain cognitive neuroscience among others. Is it possible for cognitive neuroscience to escape psychology’s maternal wings?

According to Thomas Kuhn, science is always processed out of and within a certain scientific perspective, that shapes scientific observation as well as the questions about and the interpretation of these observations (Kuhn, 1962). In this so-called paradigm scientist’s heads are more or less turned in the same direction. This way researchers in a certain field are able to ‘produce major novelties, conceptual and phenomenal’ (Kuhn, 35). The conjoint effort to extend psychological hypotheses about brain functioning in a variety of psychological domains, to actual neuroscientific research, might serve as a perfect example of such major novelties within a paradigm. Starting out as convenient novelty, neuroscience now heads towards being the new leading perspective in psychology. Being the (self-stated?) mayor of the discipline, one might ask if neuroscience is progressing towards being a broadly established school within psychology, or that it might actually cause a paradigm shift that will result in a degradation of classic psychological research (Kuhn, 165). Unfortunately prediction of this sort does not seem to be more than a wild guess, but attention might be paid to the implications of both options for the other layers of this essay’s central question.

In order to reunite the concepts mind and brain, Feldmann Barrett states that ‘psychology may need a different set of psychological categories’ (2009, 330). These categories ought to be ‘described in [their] own terms and with [their] own vocabulary’, ‘as a combination of psychological primitives’(Feldmann Barrett, 332). How far this solution may reach with regard to the reconnection of psychology and neuroscience, depends on the development of neuroscience as either a psychological school or as a new established paradigm. If neuroscience is headed towards taking over psychology’s throne entirely, then according to Kuhn incommensurability is lurking (Kuhn, 1962, 103). Embracing a new scientific perspective may lead to an all new scientific language, in which the formerly common language might henceforward fundamentally be misunderstood. So within neuroscience as a currently established psychological school, Feldmann Barrett’s suggestion of creating a new vocabulary might be useful to gain a better understanding of the object of study. However, if neuroscience is on its way to state a new paradigm, the traditional psychological perspective, including Feldmann Barretts psychological primitives, might be fundamentally degraded. In that case, the aim of reuniting brain and mind is likely to be trampled by the paradigm shift marching in.

Whether neuroscience is able to become the big winner of such a paradigm shift is doubtful though. As Kievit et al. state, ‘cognitive neuroscience involves simultaneous analysis of behavioral and neurological data’ (Kievit et al., in press, 2). The ultimate goal of neuroscience, however, seems to be a model in which the psychological attributes (P-indicators) are altogether replaced by neurological processes (N-indicators; Kievit et al., 8 ) – for example, finding the g factor without extensive consideration of observable or adaptational behaviour. To this aim several objections could be made. Practically, it is impossible to develop such a variant of the reflective model without guidance of psychological constructs and measurements (Kievit et al., 37). Furthermore, neuroscience will always remain focused on understanding human beings, that is, people. Without input from the functioning human being, there will be no observations, no questions, no interpretations that can add up to testable hypotheses or formalizable models about the functioning of the brain. This statement might be repudiated stating that the neuroscientific object is the brain itself, and that the scientific aim is to find out how the brain is built up – either as a total of structural parts, or as a network of dynamic processes. However, this would imply that the aim of neuroscience is to describe the functionality of its object of study, which is to say that neuroscience is focused at Verstehen, rather than at Erklären (Leezenberg & de Vries, 2007). Having identity crisis already, as Feldmann Barrett points out (2009, 326), such a twist of scientific focus would push neuroscience to a side of the psychological field it actually pleads to avoid, not to say overcome.

So assuming that neuroscience is not eager to become a describing science – as Kievit et al. (in press) state that ‘the conceptual elephant in the room is how […] concepts relate […and] what the causal relationships between them are’ (Kievit et al., 5, underlining by author) – it will rather be unavoidable for cognitive neuroscience and psychology to somehow stay intertwined. That is to say, however intriguing the brain itself is, to properly explain it, psychology will at least stay around as neuroscience’s hitchhiker’s guide to the galaxy.

Pdf:

Neuroscience and its hitchhiker’s guide to the galaxy

Intoxicatie door DSM-IV

292.91 (F19.91) Intoxicatie door DSM-IV
Specificeer indien: met waarnemingsstoornissen

Na een kleine academische omzwerving, begon ik twee weken geleden aan de Master Klinische Psychologie, met fris gemoed en klaar voor een dosis nieuwe kennis. Wat ik kreeg bleek een reality check. Vol verbazing nam ik tijdens het bespreken van de casus waar wat ik vergeten was: de gretigheid tot DSM diagnostiek. Het gemak waarmee op basis van minimale informatie uit een anamnese en een ogenschijnlijk voldoende hoeveelheid vooroordelen allerhande persoonlijkheidsstoornissen op het conto van een puber werden bijgeschreven, sloegen mij met stomheid. Buiten de kwestie van betrouwbaarheid van dergelijke diagnostische hypothesen (zie Westenberg & Koele, 1993), vraag ik mij af welke invloed het plakken van labels kan hebben op de persoonlijke ontwikkeling van een jongeman, en in hoeverre het risico van overdiagnosticeren opweegt tegen het vinden van een specifieke behandeling in een diffuus beeld.

Westenberg en Koele (1993) stellen met betrekking tot die vraag dat ‘het voorstelbaar [is] dat het ernstiger wordt gevonden wanneer iemand ten onrechte een essentiële behandeling wordt onthouden […] dan wanneer iemand ten onrechte wel zo’n behandeling krijgt’ (p.353). In geval van vermeende suïcidaliteit is gerichte behandeling uiteraard geen overbodige luxe, maar wat betreft diagnostiek vraag ik me af wat een onterechte diagnose of behandeling doet met het psychologisch welzijn van een patiënt. Iemand die ‘niet lekker in zijn vel zit’ betitelen als ‘patiënt’ en hardnekkige deficiënties in gedrag en persoonlijkheid toeschrijven; zou dat niet een nieuwe zwaarte leggen op een al verzwaarde belevingswereld?

Evenzo frappant vind ik de stelling van Buitelaar (2008) dat ‘de plaats van medicatie bij de behandeling van ASS bescheiden [is] in die zin dat er geen middelen bestaan die de stoornis genezen. Maar medicatie […] kan wel helpen om het individu bereikbaar te maken voor educatieve interventies’ (p.522). ‘Dit laatste is vooral bij veel jonge patiëntjes nu juist het probleem. Om iets te versterken, moet er immers eerst een aanzet zijn tot gewenst sociaal en communicatief gedrag, en die ontbreekt vaak’ (p. 520). ‘In het algemeen is de opbrengst van sociale-vaardigheidstrainingen bij ASS gering’ (p.521). Onder voorbehoud dat ik geen expert ben op het gebied van ASS, klinken bovengenoemde behandeldoelen mij betrekkelijk circulair in de oren. Staren we ons niet blind op verandering die we wíllen zien optreden, in plaats van op de hulpvraag van de ‘patiënt’? We hebben zo’n beeld van ‘hoe het moet’, dat we allerhande falen en inadequaatheid van methoden en technieken goedpraten, diagnoses verifiëren aan de hand van niet-specifiek medicatiegebruik, en een opeenstapeling van comorbiditeiten (p. 526) aan de dag leggen, die mij doen twijfelen aan de mogelijkheid om nog een coherent mensbeeld te handhaven.

Dit alles doet mij denken aan de epicycli, de extra cirkelbewegingen op de baan van de planeten in het astronomisch model van Ptolemaeus, die werden verondersteld om de congruentie waar te borgen van het model met de waarnemingen (Leezenberg & De Vries, 2007). Copernicus stelde voor het geocentrisch model door het veel eenvoudiger heliocentrisch model te vervangen, waarmee hij volgens Thomas Kuhn een paradigmaverschuiving inluidde. Na een week terug bij Psychologie word ik geconfronteerd met een oud wrang onderbuikgevoel: al die overtuigingen, al die kunstgrepen, al die opstapeling. Is het niet tijd dat psychodiagnostiek weer om de mens gaat draaien, in plaats van om het diagnostisch systeem?

Is Psychologie toe aan een nieuw Paradigma?

Pdf: Intoxicatie door DSM-IV