Validiteit in de psychologische wetenschap en de klinische praktijk

Validiteit in de psychologische wetenschap en de klinische praktijk
Over het psychologisch onderzoeksmodel en de meetbare mens

Master thesis Philosophy of Life Sciences
Universiteit van Amsterdam, maart 2014

Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier
die gemiddeld één meter diep was.
Hij verdronk.
Godfried Bomans

ABSTRACT
In deze scriptie is de validiteit onderzocht van het empirisch-analytisch wetenschapsmodel dat als middel in dienst staat van de klinisch-psychologische gezondheidszorg. Het onderzoek omvat een beschouwing van het wetenschapsmodel, het gebruik daarin van aggregaten, en de inherent statistische methode om ‘menselijk gedrag’ te beschrijven en te vergelijken. Daarbij is nagegaan hoe psychologen gegeven het model omgaan met validiteit ten aanzien van hun wetenschappelijke meetinstrumenten. Beargumenteerd is dat de wijze waarop validiteit wordt gebruikt binnenhet wetenschapsmodel, functioneert als een performatieve bekrachtiger van het model zelf. Door de statistiek die wordt gehanteerd in het meten van menselijk gedrag, wordt geïmpliceerd dat mensen rationeel meetbaar zijn en in termen van normale populatieverdelingen kunnen worden begrepen. De eis tot normaalverdeling in statistische toetsing impliceert echter dat de referent waartegen ‘vooruitgang’ in wetenschappelijk ontwikkelde interventies wordt gemeten een klinische normaalverdelingis, die wezenlijk verschilt van de normale populatie waartegen ‘herstel’ wordt begrepen in de klinische praktijk. Daarnaast worden in wetenschappelijke effectstudies de ‘staarten’ van de steekproefverdelingen afgesneden omwille van homogeniteit en betrouwbaarheid van de steekproef, wat leidt tot een tweede validiteitsprobleem: door evidence basedbehandelingen als norm te stellen, worden ‘uitschieters’ in de klinische wetenschap ook ‘errors’ in de klinische praktijk. Aangezien de klinische psychologie expliciet gericht is op herstel van juist de uitschieters in de samenleving, blijkt het empirisch-analytisch model te staan voor wezenlijke validiteitsproblemen ten aanzien van het doel van de klinische praktijk. De oplossing van deze research practice gapdie wordt voorgesteld in het recente efficacy/effectiveness-debat resulteert – gegeven de besproken validiteitsproblematiek – slechts in verdieping van de kloof tussen ‘de mens’ als onderzoeksobject en mensen in de klinische praktijk.

Een kritische analyse van Psychoanalyse als Kunsthistorische Methode

Bachelorscriptie Kunstgeschiedenis
Universiteit van Amsterdam (Juni 2010)

Abstract

In Art since 1900 (2005), een recent en vermaard overzichtswerk van moderne kunst, wordt Psychoanalyse gepresenteerd als een van de vier leidende kunsthistorische methoden. Hal Foster (1955), hoogleraar aan Princeton University, past psychoanalyse in diverse publicaties toe op het Surrealisme, waarbij hij de persoonlijkheidstheorie van psychoanalyticus Sigmund Freud (1856-1939) als uitgangspunt neemt. Het huidige paper gaat in op de vraag in hoeverre Fosters berusting op de Freuds psychoanalyse wetenschappelijk adequaat is. Gesteld wordt dat Foster de theoretische assumpties van Freud niet naar volledigheid hanteert en veelvuldig verwart met de persoonlijkheidstheorie van psychoanalyticus Jacques Lacan (1901-1981). Fosters werk wordt getoetst aan de psychoanalyse van Freud en Lacan, waarbij de concepten Afweermechanismen, Sublimatie, het Unheimliche en de oppositie bewust-onbewust elementair zijn, naar aanleiding waarvan de rol van kunst in de persoonlijkheidstheorieën van Freud en Lacan fundamenteel verschilt. Geconcludeerd wordt dat Fosters theorie niet met recht kan worden gefundeerd in de psychoanalyse van Sigmund Freud. Gesteld wordt dat de psychoanalyse als kunsthistorische methode, teneinde het wetenschappelijk fundament te handhaven, alleen historisch kan worden toegepast ter verklaring van inspiratie van specifieke kunstenaars, maar in de huidige conditie, zonder adequate fundering in de oorspronkelijke psychoanalytische theorie, niet langer pragmatisch kan worden gehanteerd.

 

 

Narrative Exposure Therapy bij PTSD

Bachelorscriptie Psychologie (2008)

Abstract

Posttraumatische Stress Stoornis (PTSD) is een angststoornis waaraan een of meer traumatiserende gebeurtenissen zijn voorafgegaan. De stoornis wordt onder meer gekenmerkt door herbelevingen in de vorm van intrusieve gedachten en flashbacks. De vraag is welke rol geheugenprocessen spelen bij de ontwikkeling en instandhouding van PTSD en in hoeverre de nieuwe therapie Narrative Exposure Therapy kan bijdragen aan de behandeling van PTSD met inachtneming van deze geheugenprocessen. Geheugenprocessen blijken een belangrijke rol te spelen bij de ontwikkeling van PTSD. Tijdens de traumatiserende gebeurtenis worden herinneringen door PTSD-patiënten disfunctioneel verwerkt, waardoor patiënten niet in staat zijn traumagerelateerde herinneringen te integreren met normale autobiografische herinneringen of ze in een adequate context van plaats en tijd te plaatsen. Dit biedt een verklaring voor PTSD-specifieke herbelevingen. Narrative Exposure Therapy (NET) beoogt traumagerelateerde herinneringen te integreren door ze in te kaderen in het normale autobiografische geheugen middels een geschreven autobiografie, teneinde herbelevingen te stoppen en symptoomreductie te bewerkstelligen. NET is een effectieve therapie gebleken voor PTSD-patiënten in oorlogsgebieden. Of NET ook breder toepasbaar is moet vervolgonderzoek onderwijzen.

Pdf: Narrative Exposure Therapy bij PTSD